Nerello Mascalese

VERSPREIDING

Vandaag zijn nerello mascalese en Etna haast synoniemen. In termen van kwaliteit is de noordelijke flank van de vulkaan inderdaad de belangrijkste wijnbouwzone voor de druif. Maar in heel Sicilië worden wijnen op basis van nerello mascalese gemaakt. Het heeft te maken met het vrij recente, intense succes van Etna-wijnen die in de rode variant steeds voor minimaal 80% uit nerello bestaan. De bekendheid van de druivensoort bereikt daarmee ongeziene hoogten. Maar er zijn nog goede redenen. Nerello mascalese is een vigoureuze druivenvariëteit – altijd interessant voor wijnbouwers – en levert ook buiten de Etna-zone vaak aangename wijnen op. Deze zijn meestal jong en fruitig, in tegenstelling tot de Etna Rosso’s die een enorme complexiteit en dito verouderingspotentieel kunnen bereiken.
Ook in het zuiden van Calabria wordt nerello mascalese geteeld: we zijn in vogelvlucht dicht bij de Etna, maar geografisch gescheiden door de straat van Messina.

ETYMOLOGIE

Nerello betekent vrij vertaald ‘ de kleine, zwarte druif’. Het slaat op de grootte van de bessen en op de kleur van de wijnen die de druivensoort oplevert. In kleine dorpjes aan de voet van de Etna wordt door ouderen nog wel eens over vino nero gesproken, doelend op de lokale wijn. Mascalese is Italiaans voor ‘van Mascali’. Dit dorpje ligt aan de oostkust van Sicilië, waar de Etna tot in de zee reikt, en was eeuwenlang een belangrijk logistiek centrum voor Etna-wijnen.

KENMERKEN DRUIF

Nerello Mascalese is een laatrijpende druif. Men vermoedt dat de generaties wijnbouwers op de Etna druivensoorten selecteerden die in oktober rijp werden. Die maand zijn de klimatologische omstandigheden er geschikter om te oogsten en de wijn te laten fermenteren. Stalen tanks met temperatuurcontrole zijn immers een relatief recente uitvinding.

Nerello mascalese vereist een flinke dosis kunde en ervaring om er excellente wijnen van te maken. De teeltwijze (snoeivorm, bemesting, ontbladeren, groene oogst,…) heeft immers een grote impact op het biochemisch profiel van de druiven (zie verder). Hetzelfde geldt voor de vinificatie. Zelfs bij volle rijpheid geven de tannine een groene, bittere toets aan de wijn. Daarom is doseren de juiste leidraad bij het vinifiëren van Nerello Mascalese. Een bijkomende moeilijkheid aan het telen van Nerello Mascalese is de grote verscheidenheid aan biotopen binnen de variëteit. Het geeft de wijnmakers extra mogelijkheden, maar het betekent ook een extra complexiteit.

Nerello mascalese wordt vaak vergeleken met pinot noir. Beide druivensoorten hebben namelijk de bijzondere eigenschap minuscule verschillen in terroir te vertalen naar de wijn. Aanvullend wordt de Etna soms als de Bourgogne van het zuiden beschouwd: de verschillende sectoren van de Etna leveren wijnen op die soms sterk kunnen verschillen. Maar daarmee houdt de vergelijking met pinot noir op. Anders dan die laatste brengt nerello wijnen voort met flagrante aroma’s van tabak, hars en kruiden, maar weinig tot geen fruitige en bloemige aroma’s. Sommigen herkennen ook een rokerige toets, al kan dit te maken hebben met het beeld van de Etna in de visuele cortex.

Vandaag worden er meer dan ooit wijnen van nerello mascalese als monocépage uitgebracht. Toch adviseert Salvo Foti, een gerenommeerde, plaatselijke oenoloog en agronoom die gespecialiseerd is Etna-wijnen, een traditionele blend met nerello cappuccio. Dit in de verhouding 80 procent mascalese, 20 procent cappuccio. Cappuccio is complementair aan mascalese zowel qua type polyfenolen, wat bijdraagt aan het verouderingspotentieel, als qua aromatisch profiel. Cappuccio voegt met name aroma’s van bosvruchtenconfituur, kersen en specerijen aan de blend toe. In een biochemisch onderzoek vond Foti noch in mascalese noch in cappuccio florale aroma’s terug.

Het stokpaardje van Salvo Foti is de snoeiwijze ad alberello, die hij het meest geschikt acht voor alle autochtone druivenvariëteiten van de Etna. Hij onderzocht in samenwerking met het Instituo Sperimentale per l’Enologia di Asti de effecten van de teeltwijze op gemiddelde grootte van de druiven van de soort nerello mascalese en de percentages polyfenolen die ze bevatten. De conclusies bevestigden opnieuw de lokale wijnbouwtradities: de wereldwijd toegepaste snoeivorm ‘cordone sperato’ levert grotere druiven op (en kwantiteit gaat in de wijnwereld vaak te koste van kwaliteit), die procentueel minder polyfenolen bevatten dan de druiven die ad alberello worden geteeld. En die polyfenolen zijn net heel belangrijk voor de kleur, en het daarmee samenhangende bewaarpotentieel van de wijnen.